Veelgestelde vragen bij PHPP & certificatie

Heb je vragen bij de PHPP of bij het opstellen van een certificatiedossier? Misschien vind je het antwoord in deze FAQ's.

Opgelet: onderstaande vragen en antwoorden gelden niet automatisch voor het bekomen van premies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Specifieke vragen hierover, richt je best tot primes-premies-b10@environnement.irisnet.be

50-waarde uit gemeenschappelijke rapport afzonderlijk gebruiken

De n50-waarde van het gemeenschappelijke rapport kan inderdaad voor elk appartement afzonderlijk gebruikt worden, indien aan volgende voorwaarden is voldaan: 

  • Een appartementsgebouw met verschillende appartementen, traphal en kelder. De traphal en kelder behoren niet tot het beschermd volume.
  • Er wordt in elk van de (binnen)voordeuren van de appartementen gelijktijdig een BlowerDoor ingebouwd, alle appartementen worden dus ook gelijktijdig in onder- en overdruk geplaatst. Dit om lekverliezen tussen de appartementen onderling uit te sluiten uit de meting.
  • Er wordt 1 rapport afgeleverd met 1 globaal resultaat voor alle appartementen.

Gepubliceerd op 5/1/2015

Bouwknoop van raamaansluiting én geometrische bouwknoop als één gecombineerde knoop

De ψ-waarde van bouwkopen ter hoogte van de raaminbouw moeten in PHPP steeds worden ingerekend. Ψ-waarden van bouwknopen die negatief zijn (wat voornamelijk voorkomt bij geometrische bouwknopen, waarbij de werkelijke warmtestroom lager is dan de eendimensionale benadering op basis van U-waarden en verliesopperlakken), mogen echter niet worden ingegeven, tenzij men ervoor kiest om alle bouwknopen in te geven.

Maar wat nu voor bouwknopen die een combinatie zijn van een raamaansluiting en een geometrische bouwknoop, zoals bijvoorbeeld voor een raamdorpel ter hoogte van een funderingsaansluiting, de aansluiting van een raam op de hoek van een muur, … Kan dit dan als één gecombineerde knoop worden ingerekend?

Dergelijke knopen zijn zeer complex, en het is niet mogelijk om deze op te splitsen in een aansluiting voor bijvoorbeeld een raam en een aansluiting voor de fundering. De gecombineerde bouwknoop moet dus steeds in zijn geheel worden ingegeven.

Beide bouwknopen zullen ook echt een invloed op elkaar uitoefenen. Een deel van dergelijke bouwknoop kan geometrisch zijn (de buitenhoek gevormd door vloer en muur) en zo de resulterende ψ-waarde verlagen, maar dat wordt vaak gecompenseerd doordat de opbouw onder het raam slechter zal zijn dan de standaard isolatie van de muur.

En hoe moet dit ingeven worden indien deze waarde negatief is?

Mocht de waarde negatief zijn, dan moet je 0 invullen als psi-waarde. Vul je de netagieve waarde in, dan moet je (zoals voor alle knopen geldt) alle andere knopen ook inrekenen.

Gepubliceerd op 2/12/2014

Circulatieleiding type "buis in buis-systeem" ingeven in PHPP

Men rekent in dit geval in plaats van de normale standaard dubbele lengte een enkele lengte met als diameter de afmetingen van de buitenste diameter van de circulatieleiding.

Gepubliceerd op 2/12/2014

Dimensionering van de verwarmingsinstallatie via PHPP

Dat passief bouwen een exponentiële groei kent, heeft waarschijnlijk nog weinig nieuwswaarde. Dit brengt risico’s met zich mee. Zo beginnen er steeds meer mensen aan het ontwerp en de bouw van een passieve constructie zonder zich goed te informeren of bij te scholen. Eén van de aspecten waarbij kennis en kunde belangrijk zijn is de dimensionering en integratie van de HVAC-installatie. De installatie is van groot belang omdat ventilatie en een deel van de verwarming gecombineerd worden. Gebrekkig ontwerp, foutieve plaatsing (van bijvoorbeeld inwerpmond) en onbestaande nazorg (met metingen) leiden tot klachten. Dit uit zich in ontevreden klanten. Dient het nog gezegd te worden dat dergelijke aanpak alleen maar verliezers kent?

De vraag naar erkenning van kennis en kunde klinkt dan ook steeds luider. Met dit artikel wil Passiefhuis-Platform de lezer, die de PHPP-software vandaag reeds gebruikt als certificatietool, informeren over het gebruik van de PHPPsoftware als dimensioneringtool.

Net zoals voor de bepaling van de netto energiebehoefte voor verwarming wordt er in het tabblad ‘VermogenVW’ een energiebalans opgemaakt met als voornaamste onderscheid de tijd. Zo gebeurt de bepaling van het vermogen door de balans van warmtewinsten en -verliezen op te maken op een welbepaald tijdstip met bepaalde randvoorwaarden zonnewinsten alsook met de interne warmtewinsten. Dit gebeurt weliswaar met een zekere veiligheidsmarge. Zo gaat men in de bepaling van de NEB vandaag standaard uit van 2,1W/m² interne warmtewinsten,terwijl men slechts 1,6W/m² in rekening brengt ter dimensionering van het totale verwarmingsvermogen.

Een ander groot verschil met de normberekening is het feit dat men een vergelijking maakt van 2 typedagen m.n. een koude winterdag met open hemel en dus relatief veel zonnewinsten en een andere winterdag met bewolking. Deze tweede typedag is dus minder koud, maar heeft ook minder zonnewinsten. Voor beide typedagen maakt men de balans waarbij men dan het meest negatieve resultaat van beide als referentie neemt voor het vermogen van de verwarmingsinstallatie.

Niettegenstaande deze filosofie zeer nuttig kan zijn, is het van groot belang dat men hierop een sensitiviteitsanalyse uitvoert. Zo kunnen we maar beter de impact onderzoeken van enkele pessimistische situaties. Vermits we van tijd tot tijd te maken krijgen met extremere winterweken - herinnert u zich afgelopen winter nog? – doet u er goed aan om in weertype 1 de buitentemperatuur verder te doen dalen. Ook de beschaduwingssituatie zou in de (nabije) toekomst wel eens kunnen veranderen; bomen die groeien, woningen/appartementen die in de nabije omgeving worden opgetrokken (temperatuursverschil tussen binnen en buiten), terwijl de NEB wordt bepaald door deze balans op te maken over een bepaalde periode (tijdsintegratie via graaduren). Deze aanpak wijkt dus af van de traditionele genormeerde dimensioneringsberekening volgens NBN EN 12831 en NBN B62-003. In de PHPP wordt er naast de warmteverliezen ook rekening gehouden met het potentieel aan kunnen voor extra beschaduwing zorgen waardoor er minder zonnewinsten zullen zijn.

Ook met aanpalende verwarmde constructies moet men voorzichtig omspringen. In de standaard PHPP-berekening worden deze gemeenschappelijke muren niet als een verliesoppervlakte gezien bij de bepaling van de NEB. Standaard voorziet men bij de vermogensbepaling hier een temperatuursverschil over van 3°C. Toch kan ook dit sterk afwijken: kan u zich inbeelden welk temperatuursverschil er zal optreden indien een dergelijke ruimte in werkelijkheid grenst aan in de praktijk niet-verwarmde slaapkamers van een niet-geïsoleerde woning?

Verder verliest men ook vaak uit het oog dat men er in deze methode vanuit gaat dat het gebouw constant op temperatuur wordt gehouden. Indien men echter nachtverlaging zou wensen toe te passen dan heeft men bijkomend nog een extra opwarmvermogen nodig om in een relatief korte tijd de woning terug op comforttemperatuur te brengen. Indien men geen nachtverlaging wenst toe te passen en dus geen extra vermogen voorziet, dan dient men er wel rekening mee te houden dat zowel bij ingebruikname van het gebouw als bij lange afwezigheid (bijv. wintervakantie) het lang kan duren om het gebouw terug op comforttemperatuur te krijgen.

Onderaan het tabblad vindt u naast het benodigde vermogen om de woning op temperatuur te houden ook het vermogen dat via het hygiënische  ventilatiedebiet kan worden verspreid. De software geeft dan ook aan of u alle warmte via het hygiënische ventilatiedebiet kan toedienen. Een belangrijke kanttekening bij het uitsluitend verwarmen via de hygiënische ventilatielucht is dat het toedienbare vermogen rechtstreeks evenredig is met het hygiënische toevoerdebiet. Wanneer men dan het hygiënische ventilatiedebiet terugschroeft t.g.v. een verlaagde bezettingsgraad, ook het toegediende vermogen zal dalen. Hierover dient men duidelijk te communiceren met de bouwheer.

Tot slot wil ik u nog meegeven dat u het tabblad ‘vermogen VW’ ook kan gebruiken voor de bepaling van de grootte van de verwarmingselementen per kamer. Een mogelijk relatief eenvoudige aanpak hiervoor is dat u bij het opstellen van tabblad ‘Oppervlaktes’ de volledige verliesoppervlakte van de gebouwschil ruimte per ruimte onderverdeelt. Op deze manier kan u na de berekening van het geheel, alle verliesoppervlaktes op ‘0’ plaatsen met uitzondering
van de ruimte die u wenst te berekenen. Dezelfde filosofie past u toe op het tabblad ‘Vensters’. De wanden tussen de verschillende ruimtes kan u  desgevallend als adiabatisch beschouwen. De interne warmtewinsten schat u aan de veilige kant en dus eerder laag in.

Op deze manier kan u gaan aftoetsen of u louter via verwarming van de hygiënische ventilatielucht de vooropgestelde comforttemperatuur kan behalen. Temperatuurdifferentiatie in passiefhuizen is wel degelijk mogelijk. Toch kan dit enkel gebeuren door een weldoordacht, geïntegreerd ontwerp van gebouwschil en HVAC-installatie.

 

09/11/2011

Energieverbruik: werkelijk energieverbruik vs. berekende netto energiebehoefte?

Het verschil tussen beide cijfers kan relatief groot zijn en dit o.w.v. de volgende redenen:

  • De netto energiebehoefte is de hoeveelheid vereiste nuttige warmte die nodig is om het gebouw op een bepaalde temperatuur te houden. Om deze warmte toe te voeren heeft men een bepaald productie- , distributie- en afgiftesysteem nodig. In al deze verschillende fasen gaat extra energie verloren die niet nuttig gebruikt wordt. Denk bijvoorbeeld maar aan de warmte die verdwijnt langs de schoorsteen bij het gebruik van een stookketel.
  • Bij de berekeningen wordt er altijd uitgegaan van standaard gebruikscondities die niet per definitie overeenstemmen met het werkelijke gebruik. Bijvoorbeeld: Een bepaalde gebruiker verwarmt zijn gebouw steeds tot 22°C terwijl de berekening van een lagere temperatuur uitgaat. Het spreekt voor zich dat het verbruik dan ook hoger zal zijn. Verder rekent men met een bepaalde bezettingsgraad, bezettingsduur, ventilatiedebiet (luchtkwaliteit), interne warmtewinsten,...
  • Bij de berekeningen zal men ook steeds werken met standaard klimaatdata. Uiteraard kan ook hier veel variatie op zitten. De ene winter is streng, de andere is zacht. Hetzelfde geldt voor de zomersituatie: minder of meer zon.

Bovenstaande zaken verklaren meteen waarom het onmogelijk is om via energiefacturen of rudimentaire metingen aan te tonen dat men voldoet aan de passief bouwstandaard.

Gepubliceerd op 12/9/2013

Gordijngevels correct ingegeven in de PHPP

Net als de UW-waarde (window) bij gewone vensters, is de UCW-waarde (curtain wall) van weinig nut voor de berekening van gordijngevels in de PHPP. Deze waarde is immers berekend voor een gordijngeveldeel met standaardafmetingen - 1,2 op 2,5 m - en is in de eerste plaats bedoeld om producten te kunnen vergelijken. In de PHPP daarentegen wordt elk uniek element van de gordijngevel ingegeven met z'n eigen afmetingen en karakteristieken. De Uf-waarde bij gordijngevels is daarbij het gemiddelde van de Um-waarde (mullion = stijl) en Ut-waarde (transom = regel). De voorgedefineerde Uf-waardes voor gordijngevelproducten in het werkblad 'Venstertype' zijn vermeld zonder toeslag voor de bevestigingspunten (gezien die uit verschillende materialen kunnen bestaan). Betreft het roestvrije stalen schroeven, dan schrijft het PHI bij ontstentenis een toeslag van 0,3 W/m²K voor. Bij kunststof schroeven is dat 0,02 W/m²K.

Gepubliceerd op 6/09/2013

Hoogtebepaling van de bouwplaats

Voor bouwplaatsen gelegen in Vlaanderen erkent Pixii de webtool www.geopunt.be ter bepaling van de hoogtes van deze bouwplaatsen als gelijkwaardig aan de bepalingsmethode beschreven in het vademecum.

Gepubliceerd op 10/1/2014

Koepels en daglichtsystemen in rekening brengen

Vermits men fictieve, geprojecteerde oppervlaktes moet ingeven voor koepels, worden de technische karakteristieken op volgende manier in rekening gebracht. Ter illustratie, zie volgende figuur.

Koepel PHPP

Ingave Ug-waarde:

Aangezien de ingegeven beglaasde oppervlakte niet de reële is, dient men de in te geven Ug-waarde ook te corrigeren als volgt:

Ug,phpp= Ug.Areëel/Aprojectie

Met:

  • Ug,phpp [W/(m²K)]: Equivalente U-waarde van de beglazing die men dient in te geven in PHPP;
  • Ug [W/(m²K)]: U-waarde van de beglazing van de koepel;
  • Areëel [m²]: Reële oppervlakte van de gebogen koepel;
  • Aprojectie [m²]: Fictief vlak oppervlak van de beglazing

Tenzij aangetoond kan worden dat hier reeds rekening mee werd gehouden (via PHI-certificaat of rekennota) zal PHP/pmp altijd uitgaan van een niet-geprojecteerde en dus te corrigeren U-waarde. Een niet-gecorrigeeerde Ug-waarde van 2,5 W/(m²K) mag gebruikt worden als default-waarde indien de koepel uit minstens 3 lagen bestaat. Voor enkelwandige en dubbelwandige koepels mag men respectievelijk een default-waarde van 7 W/(m²K) en 3,6 W/(m²K) gebruiken.

 

Ingave \Psi-glasrand

Aan de rand komen de verschillende transparante lagen bij elkaar waardoor er een verhoogde warmtestroom zal plaatsvinden. Een default-waarde voor een 3-lagige koepel voor dit extra warmteverlies is 0,1W/(mK). De berekenaar/leverancier kan er eventueel ook voor kiezen om dit extra warmteverlies samen te nemen met de verliezen doorheen het profiel en/of opstanden. De berekeningen dienen steeds te gebeuren met een gevalideerd koudebrugsimulatieprogramma. 

 

Ingave Uf-waarde:

Warmtestroom doorheen het profiel.

 

Ingave \Psi-inbouw:

De volledige dakopstand wordt ingegeven als een psi-inbouw-waarde. Deze wordt als volgt berekend:

psi inbouw

met:

Greek phi Porson.svgtotaal[W/m]= de totale warmtestroom doorheen de volledige knoop, berekend volgens NBN EN ISO 10211, waarbij de regels van het document << gevalideerde numerieke berekening >> worden gevolgd. Het frame-gedeelte van de lichtkoepel kan daarbij op dezelfde wijze als bij ramen worden vervangen door een blokje met equivalente warmtegeleidingscoëfficiënt λ’, bepaald als:

met

  • a [m]: Diepte van het kader van de lichtkoepel;
  • Udak [W/(m²K)] : Warmtedoorgangscoëfficiënt van het dak;
  • ldak [m] : Lengte van het gemodelleerde dak, waarbij de afmetingen worden bepaald op dezelfde wijze als de bepaling van de verliesoppervlakken zoals gebruikt in de PHPP-berekening.
  • Uf [W/(m²K)]: U-waarde van het profiel
  • bf [m]: Breedte van het profiel
  • \Delta\theta[K]: Temperatuurverschil tussen binnen en buiten

Gepubliceerd op 18/12/2013

Koudebruggen aan de glasrand: foutieve waarde vermijden

De koudebrug ter hoogte van de glasrand hangt, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, niet alleen af van het het materiaal van de afstandshouders, maar eveneens van de exacte glas- en schrijnwerkconfiguratie (vorm, materiaal, ...). Bijgevolg kan er enkel afgeweken worden van de in het vademecum opgegeven default-waardes indien men bij de koudebrugberekening een exacte modellering van de werkelijke uitvoering doorvoert.

Gepubliceerd op 23/10/2013

Koudebruggen in rekening brengen: de spelregels

  • voor de EPB-berekening gelden steeds de normale wettelijke vereisten. Deze bouwknoopregelgeving is van kracht sinds 1 januari 2011. Meer info kan men terugvinden in de uitgebreide FAQ van het VEA op www2.vlaanderen.be/economie/energiesparen/epb/doc/FAQ-inrekenenvanbouwknopen.pdf.
  • voor de PHPP-berekening gelden de eisen van het vademecum. Om het werk dat gepaard gaat met eventueel noodzakelijke koudebrugberekeningen te reduceren kan het studieteam er voor kiezen om de EPB-default-waardes voor koudebruggen te gebruiken in de PHPP-berekening. Deze kunnen voor alle bouwknopen overgenomen worden met uitzondering van deze voor de inbouw van schrijnwerk.

Gepubliceerd op 12/9/2013

Metalstud-profielen: U-waarde van wand berekenen

Het transmissiereferentiedocument geeft in paragraaf 6.2 aan dat een metalstudwand, waarbij de isolatielaag overbrugd wordt door metaal, niet met de vereenvoudigde methode voor niet-homogene lagen kan worden ingerekend, maar dat de R-waarde moet worden bepaald met een numerieke methode in overeenstemming met NBN EN ISO 10211. De vraag is echter of voor een dergelijke metalstud-wand, opgebouwd uit verticale stijlen maar typisch ook met een horizontale onder- en bovenstijl, een 2D berekening van een representatief deel voldoende is (één metalstud met aan weerszijden de helft van de isolatie tussen de metalstuds) of dat er een 3D-berekening moet worden gemaakt van de gehele wand.

Volgens het VEA is een 2D berekening voldoende waarbij een representatief deel genomen wordt voor de wand.  Indien randzones zeer sterk afwijken van de middenzone van de wand kan voor dat deel een afzonderlijke berekening gemaakt worden (bv. onderste of bovenste meter).  

Gepubliceerd op 13/5/2015

Primair energieverbruik in PHPP2007 v1.3 berekenen bij compacttoestel

Door een bug in het tabblad 'compact' van de PHPP2007 v1.3 wordt het primair energieverbruik niet berekend wanneer een compacttoestel wordt gebruikt.

U kan dit oplossen met volgende methode:

  • In het tabblad 'compact' voegt u een rij in tussen de oorspronkelijke rijen 49 en 50.
  • Vervolgens kopieert u de formule uit cel E51 naar cel E50 zodat de cel E50 volgende formule toont:
    =IF($B$175=1;"";IF(OFFSET(E196;($B$175-2)*30;0)="";"";OFFSET(E196;($B$175-2)*30;0)))
  • Daarna geeft u volgende formule in in cel E51:
    =IF(AND(ISNUMBER($E$53);ISNUMBER($F$53));IF(ISNUMBER(E50);E50;#N/A);IF(ISNUMBER(E37);E37;#N/A))
  • Tot slot kopieert u de formules van de cellen E50 en E51 door naar de kolommen F,G en H.

Gepubliceerd op 23/1/2014

Primaire energie bij tertiaire gebouwen: gehuurde PV-installatie

Mag de opbrengst van een gehuurde PV-installatie (op de eigen site) in rekening worden gebracht bij de berekening van het primair energiecriterium van tertiaire gebouwen?
Ja, dat mag ! 

Gepubliceerd op 2/12/2014

Rendement van ventilatiegroepen met WTW: welk bewijsmateriaal moet worden voorgelegd

Voor de EPB-berekening geldt de normale wettelijke procedure.

Voor de specifieke PHPP-berekeningen geldt dat de bewijslast afhangt van welk thermisch rendement men in rekening heeft gebracht in PHPP.

  • Wanneer men zich baseert op een PHI-certificaat én men gebruik maakt van de PHPP-scholensoftware, dan dient men dit rendement te herberekenen door de warmte van de ventilatoren eruit te halen.
  • Wanneer men zich baseert op NBN EN 308 en/of bijlage G bij bijlage V bij het Energiebesluit van 19 november 2010, dan dient men het rendement te staven met een testrapport van een onafhankelijke derde instantie dat het rendement bepaald heeft. Vermits grote ventilatiegroepen (³600m³/h)  meestal op maat zijn samengesteld kan men vaak moeilijk dit standaard vereiste bewijsmateriaal voorleggen.  Als alternatief kan er dan een softwarematig berekend rendement aanvaard worden op voorwaarde dat de software erkend werd door een onafhankelijke derde instantie (bijv. PHP, pmp, eurovent-certification, …) In dat geval dient de aanvrager van het gebouwcertificaat minimaal volgende informatie aan te leveren:
  • een certificaat en/of bewijs van erkenning van de gebruikte software opgesteld door een onafhankelijke derde partij.
  • een berekeningsrapport/verklaring met opgave van:
    • de naam en versie van de gebruikte rekensoftware
    • merk, fabrikant, exacte type en grootte van de warmtewisselaar (bij platenwarmtewisselaars: aantal platen, onderlinge plaatafstand, plaatoppervlakte, coatings,...; bij warmtewielen: diameter wiel, breedte wiel, gewicht van het wiel, andere relevante wieleigenschappen) 

    • de luchtsnelheid in de warmtewisselaar bij een debiet waarbij het thermisch rendement bepaald werd

    • expliciete vermelding van conformiteit van de gehanteerde randvoorwaarden aan NBN EN 308

    • gehanteerde temperaturen en vochtigheidsgraden conform EN308 (afvoerlucht: 25°C met een RV van 28,4%; buitenlucht: 5°C met een RV van 73,1%) (Dus geen -10°C, zoals vaak gebruikt wordt!)

    • gehanteerde debiet: hetzij maximaal toesteldebiet, hetzij een  debiet groter of gelijk aan de opgelegde eisen van de energieberekening

    • de elektrische efficiëntie (bij voorkeur in Wh/m³) dient bepaald te worden bij een drukval die bepaald wordt als volgt:

      • bij onstentenis geldt een minimale externe drukval conform onderstaande tabel:

        Eisen mbt de externe druk
      • Van bovenstaande ontstentenis-waardes kan enkel afgeweken worden indien men een gedetailleerde drukverliesberekening kan voorleggen (conform WTCB-rapport nr. 15, laatste versie) van de volledige installatie bij een debiet conform de opgelegde eisen van de energieberekeningen

      • In de praktijk wordt de drukval over de filter zowel beïnvloed door het type en grootte van de filter als door de vervuilingsgraad ervan. Wanneer dergelijke fluctuerende situaties niet uit te sluiten zijn, dient men steeds uit te gaan van een drukval van 160Pa over een filterelement.

    • bypass-/lekpercentages (intern/extern) bij drukvallen conform NBN EN 308

    • naam en handtekening opsteller van het berekenings-rapport/verklaring

Gepubliceerd op 12/9/2013

Stooklokaal opnemen in het beschermd volume

Als de centrale verwarmingsketels in de stookplaats een nominaal vermogen hebben dat kleiner is dan 70 kW, dan is natuurlijke ventilatie van deze ruimte niet verplicht volgens NBN B61-002. De ketel kan dan opgesteld worden binnen het beschermd volume, zodat de netto vloeroppervlakte mee opgenomen wordt als referentie-oppervlakte. Tijdens de luchtdichtheidstest dient de deur van het stooklokaal dan ook open te staan. Uit veiligheidsoverwegingen kan men opteren voor de installatie van een gasdetector te voorzien die de gastoevoer afsluit bij het detecteren van een gaslek.

Indien het vermogen groter of gelijk is dan 70 kW is een natuurlijke ventilatie van de stookplaats verplicht. Deze opening mag in normale gebruikstoestand op geen enkele manier afgedicht worden. Ook tijdens de luchtdichtheidstest dient deze opening dus volledig vrij te blijven. Bijgevolg zal men in de meeste gevallen opteren om de stookruimte buiten het beschermd volume te houden, zoniet zal men moeilijk tot niet kunnen voldoen aan het vereiste luchtdichtheidsniveau. De hiermee verbonden consequenties zijn:

  • Wanden tussen het stooklokaal en de rest van het gebouw worden warmteverliesoppervlakte (en moeten wellicht geïsoleerd worden)
  • De vloeroppervlakte van het stooklokaal telt niet mee als netto vloeroppervlakte
  • De deur tussen het stooklokaal en de rest van het gebouw is goed luchtdicht, moet in normale gebruikstoestand gesloten blijven (bv. via deurpomp) en mag enkel geopend kunnen worden met gereedschap (bv. driehoeksleutel)

Download hier de pdf met de mogelijke luchtdichtheidstest-pistes

Gepubliceerd op 12/9/2013

Ventilatiekanaal met verschillende isolatiedikte/diameters

Warmteverliescoëfficient per m leiding [W/(mK)]   

Het leidingverlies wordt berekend met behulp van de tool op het tabblad Ventilatie (celbereik N55 tot Q99). In het geval van verschillende afmetingen kan men 2 rekenmethode hanteren:

1. In de nauwkeurige methode wordt er gewerkt met een gewogen gemiddelde werken conform volgende formule:

met

  • [W/(mK)]: Gemiddelde warmteverlies van de leidingen (cellen H18:J18)

  • [W/(mK)]: Warmteverlies van leiding i (cellen O4: R18)

  • [m]: Lengte van de leiding i

 

2.  In de benaderende methode gaat men uit van de slechtste situatie m.a.w. men gebruikt de hoogste psi-waarde voor het volledige kanaal. (bijv. het deel met de minste isolatie)

 

Gepubliceerd op 2/12/2014

Warmteverliezen doorheen leidingen en schachten in PHPP

  1. De warmteverliezen via de ventilatiekanalen van ventilatiesystemen, aanwezig voor de hygiënische ventilatie, worden in rekening gebracht via de standaard rekenmethodiek in het PHPP-tabblad 'Ventilatie'.
  2. Kanalen die natuurlijk geventileerd zijn (bijv. natuurlijk geventileerde leidingschachten) kunnen in rekening worden gebracht als een AOR. Bij de bepaling van de temperatuurreductiefactor "X" dient men dan uit te gegaan van een conventioneel ventilatievoud tussen de AOR en buiten dat overeenkomt met type 4 (Zie tabel 6 Transmissiereferentiedocument). Bij ontstentenis kan men de ruimte ook als buitenomgeving beschouwen, zodat er geen temperatuurreductiefactor berekend moet worden.
  3. Rookgaskanalen dienen niet in rekening te worden gebracht voor zover ze een minimale, aantoonbare warmteweerstand hebben van 1m²K/W. Zoniet worden deze gewoon als natuurlijk ventilatiekanaal ingerekend (zie punt 2).
  4. Regenwaterafvoeren dienen niet in rekening te worden gebracht voor zover ze een minimale, aantoonbare warmteweerstand hebben van 1m²K/W. Zoniet worden deze gewoon als verliesoppervlakte naar buiten ingerekend (zie punt 2).